bui
mannelijk/vrouwelijk (de)/bœy/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (meteorologie) een kortstondige periode van neerslagDe plotselinge bui zorgde voor veel ongelukken op de weg.
- (figuurlijk), (psychologie) een voorbijgaande stemmingHij was in een slechte bui toen hij om drie uur 's nachts gebeld werd.Zijn buien van ongeduld waren verontrustend. Het gebrek aan ondernemingslust van de troepen werkte hem op de zenuwen. {{Aut|Lemaitre, PierreHet daaropvolgende uur luisterden ze naar de regen, die afwisselend op de ramen tikte en kletterde. God had ook Zijn buien.
Etymologie
* In de betekenis van ‘stemming’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1786
Uitdrukkingen
- De bui [al] zien hangen — Voorzien dat iets niet goed zal aflopen
- De bui afwachten — rustig afwachten wat voor onheil er komt
- Voor de bui binnen zijn — voordat het slecht werd genoeg verdiend hebben
Vertalingen
Engelscaprice, whim
Spaansaguacero, chubasco, capricho
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek