buideldier
onzijdig (het)/ˈbœydəlˌdir/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (dierkunde) zoogdiersoort uit de infraklasse waarvan de wijfjes een buidel hebben, waarin hun vroeggeboren jongen verder in opgroeien
Etymologie
* In de betekenis van ‘zoogdier dat het jong in een buidel draagt’ aangetroffen vanaf 1869.
Vertalingen
Engelsmarsupial
Fransmarsupial
DuitsBeuteltier
Spaansmarsupial
Japans有袋類
Poolstorbacz
Zweedspungdjur
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek