buideldieren
/plaatshouder taxonomie/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een infraklasse van zoogdieren waarvan de vrouwtjesdieren twee baarmoeders hebben. Vaak, maar lang niet altijd, bezitten vrouwtjesdieren een buidel. Deze buidel is een soort huidplooi, waarin de tepels van het dier liggen en waar het jong in wordt gedragen. De meeste buideldieren komen voor in Australië, Nieuw-Guinea en oostelijk Indonesië. Drie families, waaronder de buidelratten, komen enkel voor in de Nieuwe Wereld.
Etymologie
* "buideldier" met de uitgang -en
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek