brommen
/ˈbrɔmə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) een laag rommelend geluid voortbrengenEr werd als antwoord wat gebromd, maar duidelijkheid kwam er niet.
- boos, bestraffend of ontevreden pratenDe leraar bromde tegen zijn luie leerlingen.Toen ik bij de barman naar de wificode informeerde, bromde hij dat het internet al een week niet werkte.
- (erga) op een bromfiets ergens heen gaanIk ben wel eens naar Giessendam gebromd.
- (inerg) op een bromfiets rijdenHij had heel wat gebromd voordat hij zijn motorrijbewijs ging halen.
Etymologie
* In de betekenis van ‘laag en dof geluid maken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1477
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek