bromfietser

mannelijk (de)/'brɔmfitsər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verkeer (verkeer) berijder van een lichte motorfiets
    Acteur Gijs Scholten van Aschat maakt eind deze maand kans op een Gouden Kalf voor zijn rol in de film Publieke Werken. Als puber kwam hij in de cel omdat hij verkleed als agent een bromfietser aanhield. NRC Mirjam Remie 16 september 2016

Etymologie

*afgeleid van bromfiets