boosheid

vrouwelijk (de)/'boshɛɪt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de hoedanigheid van het boos zijn
    Schelden uit boosheid.
  2. de hoedanigheid van het kwaadaardig zijn

Etymologie

*Afgeleid van boos .

Vertalingen

Engelsanger, malevolence, malice
DuitsZorn, Ärger, Bosheit
Spaansenojo