boemeltrein

mannelijk (de)/'buməltrɛɪn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. spoorwegen (spoorwegen) stoptrein

Etymologie

* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘stoptrein’ voor het eerst aangetroffen in 1876

Vertalingen

Engelsslow train
Spaanstren de trocha