woorden
boek
Start
›
B
›
boemelaar
boemelaar
mannelijk (de)
/'buməlar/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
iemand die vaak boemelt (uitgaat)
Etymologie
* van boemelen
Synoniemen
brasser
losbol
zwierbol
kroegloper
Vertalingen
Spaans
calavera, disoluto, libertino
Bron:
OpenTaal
&
WikiWoordenboek
← boemel
boemelaars →