boemelen
/xxxx/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) zijn tijd doorbrengen met uitgaan, brassen, slempenEr werd weer flink geboemeld die avond.
- (inerg) met de stoptrein reizenEr was eindeloos geboemeld, maar uiteindelijk kwamen ze toch aan op de plaats van bestemming.
- (erga) met de stoptrein ergens heen reizenHij was deze keer eens naar Amsterdam geboemeld.
Etymologie
* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘kroegen aflopen’ voor het eerst aangetroffen in 1894
Vertalingen
Engelsdebauch
Spaansir de juerga
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek