blaffetuur
vrouwelijk (de)/ˈblɑfəˌtyr/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bouwkunde) afsluiting van raam of deur bestaand uit horizontale latten onder elkaar die van boven naar de grond worden afgerold'Zoet, met dat weer had ge de blaffeturen beter wat vroeger neergelaten, ze houden de kou tegen.
- (bouwkunde) afsluiting van een raam, in de vorm van een houten paneel met scharnieren opzijThuis schreef hij op een bord dat aan de blaffetuur gehangen werd: Duivenmelkers! Zaterdagavond om 8 uur inschrijving op Quievrain, hoeveel de prijs was en dat er 26 regulateurs te huur waren.
- (geschiedenis) met perkament of doek bespannen raamwerk dat ter verduistering in een venster kon worden geplaatst
Etymologie
* van Middelnederlands "blafture", verdere herkomst onzeker, genoemd worden afleidingen van "blavet" "bleek, blauwachtig, blond", "blaffir" "bleek maken" of middeleeuws Latijn "blaffardus" [https://taalverhalen.be/dialect/dialect-blaffeturen/ Dialect: blaffeturen (12 mei 2015) op website: taalverhalen.be]; geraadpleegd 2019-11-05
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek