blaffend

/ˈblɑfənt/

Betekenis

werkwoord
  1. bezig met te blaffen
    Pas een hele tijd later klonk in de verte een politiesirene, gevolgd door het geluid van blaffende honden. Het schieten hield tot mijn grote opluchting snel hierna op. Een potje schieten hoort er voor de lokale rednecks in de woestijn kennelijk gewoon bij in het weekend.