bewijzen

/bəˈwɛizə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) aantonen; staven
    Kunt u die stelling bewijzen met cijfers.
    De keiharde bewijzen waarmee ik een rechtszaak kan aanspannen tegen de verantwoordelijke hiervoor ontbreken.
    ' 'Maar je kunt niet bewijzen dat dit een Robles is,' zei Quick.
  2. inerg (inerg) betuigen; een dienst bewijzen
  3. refl (refl) laten zien wat je kunt
    De nieuwe werknemer heeft zich in zijn proefperiode voldoende bewezen.
  4. refl (refl) laten zien dat iets nuttig is
    Computers hebben zich in de loop van de jaren wel bewezen.

Etymologie

*Afgeleid van wijzen

Vertalingen

Engelsprove, confer a favor
Fransprouver, rendre service à
Duitsbeweisen, belegen, einen Dienst erweisen
Spaansprobar, prestar un servicio
Deenspåvise