betegeling
vrouwelijk (de)/bəˈtexəlɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bouwkunde) bedekking van een oppervlak met plat steenachtig materiaal
- activiteit om tegels aan te brengenIn Nederland waarschuwde staatssecretaris Atsma al eerder tegen bovenmatige betegeling: ‘Vooral in de steden kan het water geen kant op’.
- met tegels bedekt oppervlakDe betegeling van de krachtcentrale, ontworpen door de Amsterdamse kunstenaar Hugo Kaagman, lijkt op die van een oude haard.
- (figuurlijk) (meetkunde) vlakvulling bestaand uit bepaalde geometrische figurenAl even origineel was De Bruijns werk uit 1981 aan de Penrose-betegeling. Zo’n betegeling is bijvoorbeeld opgebouwd uit platte vliegers en pijlen die gerangschikt zijn in een patroon dat regelmatig oogt, maar dat zichzelf toch nooit herhaalt – zelfs al draai of verschuif je het.
Etymologie
*afgeleid van "betegelen"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek