bespringen
/bəˈsprɪŋə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) aanvallen door er op te springenDe tijger bespringt onverhoeds zijn prooiDe naakte bewoner schroomde echter niet om de inbreker te bespringen en deze vast te houden.
- (ov) (seksualiteit) gretig benaderen voor seksMannelijke bruinvissen bespringen soms vrouwtjes die boven water komen om adem te halen en proberen hun penis tijdens zo’n sprong onmiddellijk in de vagina te steken.
Etymologie
*van Middelnederlands """, op te vatten als afgeleid van "springen"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek