besparen
/bəˈsparə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) minder van iets gebruiken of verbruikenIk bespaar benzine door minder snel te rijden.Op zich had hij de mars kunnen afbreken wanneer hij de tellende kameraden bij de Djurgàrdsbron was gepasseerd en naar huis kunnen lopen, of zelfs een taxi kunnen nemen om tijd te besparen.
- (inerg), (economie) ~ op: minder geld uitgeven, bezuinigenDe overheid zal moeten besparen op de onderwijsuitgaven.Het is lastig voor hardwerkende tweeverdieners, maar een korte periode alleen is vaak wel mogelijk met langetermijnplanning, creatief besparen en ouderwets verlof.
- (ov), (figuurlijk) niet met iets geconfronteerd willen worden, zorgen dat iets niet gebeurt of hoeft te gebeuren.Bespaar me je geleuter!Als je nu gewoon doet wat ik zeg bespaart me dat een hoop energie.
Etymologie
*Afgeleid van sparen .
Uitdrukkingen
- niets is jullie bespaard gebleven — alles wat vervelend is hebben jullie moeten meemaken
Vertalingen
Engelssave, save
Franséconomiser, épargner, économiser
Duitssparen, einsparen, sparen
Spaansahorrar, economizar, ahorrar
Poolsoszczedzać, oszczedzać
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek