bespreken

/bəˈsprekə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) een gesprek over een bepaald onderwerp voeren; overleggen
    Zij bespraken de groeiende spanning rond Iran.
    Omdat Olaf niet antwoordt, beloof ik hem dat ik de kwestie zal bespreken aan de ontbijttafel.
    Na Casa de Luna trok ik met The Rat Pack weer verder en onderweg bespraken we hoe we het beste konden omgaan met de komende hittegolf van meer dan 42 °C. Om deze enorme hitte te vermijden besloten we ’s nachts te gaan lopen, night hiking.
  2. ov (ov) beoordelen, recenseren
    Het boek werd in het literaire supplement besproken.
  3. ov (ov) vooruit bestellen
    Zij wilden voor de voorstelling twee plaatsen bespreken.

Etymologie

*Afgeleid van spreken

Vertalingen

Engelsdiscuss, reserve
Fransdiscuter, réserver
Duitsbesprechen, rezensieren, reservieren
Spaansdiscutir, disputar, debatir
Deensbehandle, behandle