benoemen

/bəˈnumə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) ~ tot iemand aanwijzen voor het vervullen van een bepaald ambt
    Hij werd tot gouverneur benoemd.
  2. ov, taalkunde (ov) (taalkunde) ~ als vaststellen tot welke woordsoort een bepaald woord behoort
    Het woord "beter" in de zin "Een beter huis" wordt als een bijvoeglijk naamwoord benoemd.
  3. iets een naam geven
    Heel even ziet Roman voor zich hoe hij over een paar maanden thuis uit zijn slaapkamerraam zal staren, de bosjes droogbloemen van zijn vrouw - die hij niet kan benoemen - opzij zal duwen, het met condens bedekte dichtgevroren raam met kracht zal openschuiven, zich de Moskouse lucht in zal buigen en haar zal zien, deze zelfde maan, als een souvenir dat hij van een exotische vakantie heeft meegebracht.
    De therapeut zei dat ze dagelijks moet benoemen wat goed gaat, zodat ze zichzelf kan verlossen van diepgewortelde gevoelens van waardeloosheid.
    Wij kunnen zijn kapsel moeilijk benoemen.

Etymologie

*Afgeleid van noemen

Vertalingen

Engelsnominate
Spaansnombrar, nominar
Poolsnazwać