benodigdheden

/bəˈnodəxtˌhedə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. dingen die iemand nodig heeft
    Van wrakstukken, natuurlijke materialen en door de bemanning achtergelaten benodigdheden wist de scheepsjongen enkele hutten en een versterkt ‘kasteel’ te bouwen.
  2. religie (religie) (winti) voorwerp of handeling als voorgeschreven onderdeel van een ritueel
    Wat me hier gebracht heeft... precies wat jij afgoderij had genoemd! Ik ben gekome om je een bijdrage te verzoeken. Wij allemaal in die familie moeten onze benodigdheden gaan doen.

Etymologie

*"benodigdheid" met de uitgang -en en klinkerwisseling ei - e (/ɛi/ - /e/)

Vertalingen

Engelsmaterials, necessaries, requisites
Spaansavíos, enseres