beestje

/ˈbeʃə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. klein diertje, insect, bacterie, worm
    Er zaten opeens een hele lading kleine beestjes op de voorruit.
  2. informatica, informeel (informatica), (informeel) foutje in het programma
    Er zitten wat beestjes in de nieuwste versie van onze software.

Etymologie

*[3] vergelijk "bug"

Uitdrukkingen

  • De aard van het beestje zijneen eigenschap van iets/iemand zijn|n=1
  • Huisje-boompje-beestjen=1

Vertalingen

Spaansbicho