bedotter

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die andere door leugens bedriegt
    De stenen vliegen in de zon en alle mollen hebben elkaar opgegeten, vuur slaat uit zijn staart de salamander, maar het donker in zijn mond is afgelopen! Licht wil ik eten! Beddarg, beddarg: zwoen aast de bedotter en alle muntgeld gebroken. NRC (1970)–Jacques Hamelink [https://www.dbnl.org/tekst/hame004rano01_01/hame004rano01_01_0024.php Ranonkel of de geschiedenis van een verzelving]

Etymologie

* van bedotten