bakkie

/ˈbɑki/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. communicatie (communicatie) toestel voor het zenden en ontvangen van radiosignalen in de 27 MHz-band, die gebruikt kan worden door particulieren
    Lena praat met de buren via een radio, een bakkie. Bijna iedereen in de buurt heeft er een.
  2. drinken, informeel (drinken) (informeel) kopje of schoteltje voor warme drank
    Maar goed, Cor heeft snel weer wat aangetrokken en een bakkie soep voor hem gemaakt en toen moesten we die foto's zien.
  3. drinken, informeel (drinken) (informeel) kopje koffie
    Verder is zijn vrouw natuurlijk wel goed voor hem. Wil hij nog een kopje koffie, nou ze zal nog een lekker bakkie maken.
    'Zo, zo, jij bent moe, moet ik niet ook een bakkie koffie voor je halen?' 'Ik heb om halfvijf een Oxazepam genomen,' zeg ik.
  4. verkeer, informeel (verkeer) (informeel) zijspan van een motorfiets
    Broer zwaait zijn magere been over het zadel en ik klauter in het bakkie en geef hem de helm. Hij zet het roomkleurig leren potje, met leren oorkleppen en riempjes voor de kin, op zijn kop. Hij draait de Heinkelsleutel een kwartslag om.

Etymologie

*afgeleid van "bak" , Hollandse uitspraak van "bakje"

Uitdrukkingen

  • kat in 't bakkie
  • een bakkie troost
  • een bakkkie doen