bakkebaard

mannelijk (de)/'bɑkəbart/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. deel van het baardhaar dat groeit vanaf de kaaklijnen tot aan de haargrens boven de oren
    Deze stijl combineert de bakkebaard met de snor.

Etymologie

* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘baard alleen op wangen’ voor het eerst aangetroffen in 1840

Vertalingen

Engelssideburns, side-whiskers
Fransrouflaquettes
DuitsKoteletten, Backenbart
Spaanspatilla
Italiaansbasetta
Portugeespatilhas
Russischвакенбарды
Poolsbaczki
Zweedspolisonger