bakken

/ˈbɑkə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov, kookkunst (ov), (kookkunst) voedsel bij hoge temperatuur in een oven of pan verhitten, meestal met wat olie of boter
    Oliebollen bakken hoort echt bij oudejaarsavond.
    Maar terwijl die Pieten speelgoed maken, pepernoten bakken en alles klaarmaken voor de volgende reis naar Holland, trekt Sinterklaas op zijn paard door de hoge Spaanse bergen, op zoek naar een nieuw Pietje.
    Die nacht droomde hij over Jamila die in doorschijnend negligé in de keuken zijn spiegeleitjes stond te bakken.
  2. ov, materiaalkunde (ov), (materiaalkunde) klei of aarde sterk verhitten om er stenen voorwerpen van te maken
    Hij bakte potten.
    De Romeinen wilden dat ze potten zouden bakken voor een feest.
werkwoord
  1. erga, onderwijs, informeel (erga) (onderwijs) (informeel) zonder succes examen doen

Etymologie

*[B]: vermoedelijk uit de uitdrukken zakken als een baksteen

Uitdrukkingen

  • Er niets van bakkenErgens totaal niet in slagen
  • Het al te bruin bakkente erg maken
  • Hij is bakkeran of hij is bak an
  • Iemand een kool stoven ( of bakken)
  • Iemand een poets bakkeneen grap met iemand uithalen
  • Iemand een poets spelen ( of bakken)
  • Iemand iets bakken
  • Met de gebakken peren (blijven) zittenvoor de moeilijkheden opdraaien

Vertalingen

Engelsbake, fry
Franscuire
Duitsbacken
Spaanscocer, freír, hornear
Poolspiec
Deensbage