bakkeljauw
/ˌbɑkəlˈjɑu/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (visserij) (voeding) geweekte en gesneden stokvis/ klipvis, veel gebruikt in de Surinaamse keukenHij had een kilo suiker en ook een kilo slappe eikeltjeskoffie op de kop weten te tikken, een gerantsoeneerde portie bakkeljauw, wat verse sardientjes, een pakje sigaretten en een chorizo van inferieure kwaliteit.
Etymologie
*moɡelijk uit "kabeljauw" onder invloed van Latijn "baculum" "stok" of direct van "bakailao", omdat Baskische vissers eerder begonnen met het vangen van de kabeljauw bij Newfoundland zoals die in Suriname werd verkocht
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek