bakkerij

vrouwelijk (de)/ˌbɑkəˈrɛi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. economie, bedrijf (economie) (bedrijf) een werkplaats waar men brood, koek, banket en dergelijke, bakt in een oven, een broodbakkerij
    Ik moet nog even naar de bakkerij.
    Op de Haarlemmerdijk loopt hij de bakkerij in en bestelt een cappuccino en een koffiebroodje dat hij op een bankje voor de zaak eet.
  2. plaats waar gebakken wordt

Etymologie

*afgeleid van bakker

Vertalingen

Engelsbakery
Fransboulangerie
DuitsBäckerei
Spaanspanadería, bollería, tahona
Zweedsbageri