bakkerij
vrouwelijk (de)/ˌbɑkəˈrɛi/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (economie) (bedrijf) een werkplaats waar men brood, koek, banket en dergelijke, bakt in een oven, een broodbakkerijIk moet nog even naar de bakkerij.Op de Haarlemmerdijk loopt hij de bakkerij in en bestelt een cappuccino en een koffiebroodje dat hij op een bankje voor de zaak eet.
- plaats waar gebakken wordt
Etymologie
*afgeleid van bakker
Vertalingen
Engelsbakery
Fransboulangerie
DuitsBäckerei
Spaanspanadería, bollería, tahona
Zweedsbageri
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek