arbeidsdag
mannelijk (de)/'ɑrbɛɪtsdɑx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een dag waarop men werkt
- weekdag (maandag tot en met vrijdag)
- een tijdsduur die overeenkomt met de tijd dat men normaliter werkt op één dag (vaak 8 uur)
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek