arbeidsdag

mannelijk (de)/'ɑrbɛɪtsdɑx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een dag waarop men werkt
  2. weekdag (maandag tot en met vrijdag)
  3. een tijdsduur die overeenkomt met de tijd dat men normaliter werkt op één dag (vaak 8 uur)