zondag
mannelijk (de)/ˈzɔndɑx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (tijdrekening), (dag) een dag van de week die na zaterdag en voor maandag komtZondag is de tweede dag van het weekend.Zondag is de eerste dag van de week.Een doodgewone veertiger met een eigen bedrijf, twintig jaar getrouwd, vader van drie, die elke zondag het gras maait.
Etymologie
*van Middelnederlands "sonnendach" en Oudnederlands "sunnadag", in de betekenis van ‘eerste dag van de week’ aangetroffen vanaf 2e helft 12e eeuw (eponiem): op te vatten als , een leenvertaling van Latijn "dies Solis" "dag van de Zon"
Uitdrukkingen
- vanaf zondag
- zondag aan zondag
Vertalingen
EngelsSunday
Fransdimanche
DuitsSonntag
Spaansdomingo
Italiaansdomenica
Portugeesdomingo
Russischвоскресенье
Chinees星期天, 星期日
Japans日曜日
Koreaans일요일
Arabischالأحد
Turkspazar
Poolsniedziela
Zweedssöndag
Deenssøndag
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek