zaterdag
mannelijk (de)/ˈzatərˌdɑx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (tijdrekening), (dag) een dag van de week die na vrijdag en voor zondag komtZaterdag is de eerste dag van het weekend.Zaterdag is de dag na vrijdag en voor zondag.'Ik dacht dat we dichter bij elkaar zouden komen', vertelt ze op een zaterdag die we samen op een terras doorbrengen, voor één keer niet omringd of afgeleid door onze kinderen.
Etymologie
*(eponiem), via Middelnederlands "saterdach" van Latijn "dies Saturni" "dag van (de god) Saturnus", in de betekenis van ‘laatste dag van de week’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Vertalingen
EngelsSaturday
Franssamedi
DuitsSamstag, Sonnabend
Spaanssábado
Italiaanssabato
Portugeessábado
Russischсуббота
Chinees星期六
Japans土曜日
Koreaans토요일
Arabischالسبت
Turkscumartesi
Poolssobota
Zweedslördag
Deenslørdag
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek