akkerbouwer

mannelijk (de)/'ɑkərbɔuwər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep, landbouw (beroep) (landbouw) landbouwer
    Een akkerbouwer of groententeler plant, leidt, coördineert en voert landbouwactiviteiten uit om gewassen of groenten te telen.

Etymologie

* In de betekenis van ‘landbouwer’ voor het eerst aangetroffen in 1556

Vertalingen

Engelsfarmer, agriculturist
Fransagriculteur, cultivateur
DuitsLandwirt, Bauer
Spaansgranjero, campesino, agricultor