air
/ɛːr/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- gezicht, houding, allure; arrogantie, kapsonesDe air die veel medici zich hadden aangemeten was hem vreemd. ‘Komt u even mee naar mijn kantoor, mevrouw Van der Schaaf? ’ was een uitnodiging waarin aankomende informatie doorklonk.
- (muziek) een liedje
- [C] lucht
Etymologie
* [C] uit het Engels
Uitdrukkingen
- Zich airs geven — zich gemaakt aanstellen, zich laten dunken
Vertalingen
Engelsair, look, appearance
Fransair
DuitsHaltung
Spaansaire
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek