afrit

mannelijk (de)/'ɑfrɪt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verkeer (verkeer) een verkeersweg waarlangs men van een autoweg of autosnelweg af kan rijden
    Neem de eerste afrit links en ga vervolgens rechtdoor.

Etymologie

*helling waar men vanaf kan rijden

Vertalingen

Engelsexit
Franssortie
DuitsAusfahrt
Spaanssalida