afkomen

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) op iemand ~: iemand -soms dreigend- benaderen
    Tot mijn grote schrik zag ik twee koplampen op me afkomen en ik schreeuwde en zwaaide zo hard ik kon in de hoop de bestuurder van een reusachtige vrachtwagen tot stoppen te bewegen.
  2. erga (erga) ~ van: van een probleem bevrijd worden, kwijtraken
    Hij zal niet gemakkelijk van die schulden afkomen.
  3. erga (erga) ~ van: zijn oorsprong vinden, afstammen
    Volgens mij komt dat van de Byzantijnen af.
  4. toegewezen of betaald worden
    Die late betaling kwam eindelijk af.
  5. naar beneden komen, weg komen, langs komen
    Hij kwam de trap af
  6. officieel bekend gemaakt worden
    Deze benoeming zal spoedig afkomen
  7. op bezoek komen, langskomen
    Ik kom morgen eens af

Vertalingen

Engelshead, be granted, be granted
Franss'avancer vers
Duitszukommen auf
Spaansacercarse a, acudir a, arrojarse sobre