afkoelen

/ˈɑfkulə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga, onpr (erga), (onpr) kouder worden
    Het water koelde langzaam af.
    Deze warme lucht koelt dan langzaam af en bij een bepaalde temperatuur, die afhankelijk is van de soort lucht, condenseert de waterdamp en dan ontstaan er wolken. Als die wolken gaan groeien, vinden er meer bewegingen in de wolk plaats en is er meer kans op onweer, legt de woordvoerder van Weerplaza uit.
  2. ov (ov) kouder doen worden
    Hij koelde de hete plaat af door er water op te gooien.
  3. figuurlijk (figuurlijk) minder boos worden; tot rust komen
    Het was moeilijk de verhitte gemoederen af te koelen.
    Een koude herfstwandeling was in ieder geval niet verkeerd, hij moest zowel vanbinnen als vanbuiten afkoelen.
  4. kookkunst (kookkunst) een warme bereiding kouder laten worden
    Je moet de pudding afkoelen om ze stijver te laten worden.

Vertalingen

Engelscool down
Duitsabkühlen, abkühlen, abkühlen
Spaansenfriar
Turkssoğumak, soğutmak, sakinlemek
Poolsochłodzić (sie)