afbijten

/ˈɑfbɛitə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) met de tanden verwijderen
  2. ov, figuurlijk (ov), (figuurlijk) iemand boos en kortaf toespreken
    De daaropvolgende zinnen klonken afgebeten.
  3. ov (ov) met chemische middelen oplossen

Uitdrukkingen

  • num =1de spits afbijten / het spits afbijten [http://taaladvies.net/taal/advies/vraag/747/ Taaladvies: Spits (de / het - afbijten)]|als eerste ergens aan beginnen
  • van zich afbijtenzich zelf verdedigen; voor zichzelf opkomen

Vertalingen

Engelsbite off
Duitsabbeißen, anfauchen, anschnauzen