afblaffen

/ˈɑvblɑfə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) door bejegening met ruwe woorden van zich afschrikken
    Hij had me niet moeten afblaffen dat is belachelijk, wat er dan ook is gebeurd, je hebt dat niet op anderen af te reageren.

Vertalingen

Engelssnarl, snub
Duitsanfahren, anschnauzen