afblaffen
/ˈɑvblɑfə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) door bejegening met ruwe woorden van zich afschrikkenHij had me niet moeten afblaffen dat is belachelijk, wat er dan ook is gebeurd, je hebt dat niet op anderen af te reageren.
Vertalingen
Engelssnarl, snub
Duitsanfahren, anschnauzen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek