aardappelprijs

mannelijk (de)/'ardɑpəlprɛɪs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geld dat men moet betalen voor aardappelen, geld dat de verkoper ontvangt voor aardappelen
    De aardappelprijs is gezakt tot nagenoeg nul. Door het hele land zitten aardappelboeren met bergen piepers. En dat terwijl de prijs voor friet in de supermarkt nauwelijks daalt. „Misschien kunnen we er maar beter wodka van stoken.”[https://www.nrc.nl/nieuws/2025/12/25/bij-aardappelboer-maarten-van-der-loo-blijven-bergen-piepers-liggen-zo-erg-is-het-nog-nooit-geweest-a4916132 www.nrc.nl (25 dec 2025)]