aardappel

mannelijk (de)/ˈardɑpəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bloemplanten (bloemplanten) bepaald soort plant, , uit de nachtschadefamilie
    Het bovengrondse groene gedeelte van de aardappel is giftig.
  2. voeding (voeding) eetbare knol van
    Bartje bidt niet voor aardappels.
    Aardappelen, vlees, groente is de standaard hoofdmaaltijd in Nederland.
    De volgende dag stond er tijdens het avondeten behalve de karbonaden, gekookte aardappelen en doperwten eveneens een stevige discussie op het programma.
  3. bloemplanten, verouderd (bloemplanten) (verouderd) benaming voor planten uit het geslacht en hun knollen
  4. scheldwoord, spottend (scheldwoord) (spottend) dom persoon

Etymologie

**[3] als benaming voor (knollen van) cyclamen, een plantengeslacht met knollen die varkens graag eten, in die betekenis aangetroffen vanaf 1351

Uitdrukkingen

  • De hete aardappel doorschuiven/doorspelenEen moeilijke of vervelende kwestie aan iemand anders overlaten
  • Praten met een hete aardappel in de keelBekakt praten
  • De aardappelen afgietenUrineren (door mannen)
  • De domste boeren hebben de dikste aardappelenMensen met maar weinig intelligentie bereiken door puur geluk toch veel (~ het geluk is met de dommen)
  • Die haalt de nieuwe aardappelen nietDie heeft niet lang meer te leven
  • Een kleine aardappel moet je niet schillenVan wie toch al weinig heeft kan men niet veel vragen
  • Een meid en een aardappel kies je zelfEen vrouw kan men niet uitkiezen voor iemand anders
  • Een mens is geen aardappelIedereen heeft soms behoefte aan ontspanning

Vertalingen

Engelspotato
Franspomme de terre, patate
DuitsKartoffel, Erdapfel
Spaanspapa, patata
Italiaanspatata
Portugeesbatata, batatinha
Russischкартофель
Chinees土豆, 马铃薯
Japansじゃがいも, 馬鈴薯
Arabischبطاطس
Turkspatates
Poolsziemniak, kartofel, pyra
Zweedspotatis
Deenskartoffel