aard

mannelijk (de)/art/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. wezen, natuur, karakter
    Hij is even driftig als zijn vader, hij heeft namelijk een aardje naar zijn vaartje.
    Dorien had eindelijk haar ware aard getoond.
    Volstrekt meedogenloos geëxecuteerde krijgsgevangenen, wat mensen de ogen had moeten doen openen voor de ware aard van het bolsjewisme.
  2. (in samenstellingen) met betrekking tot de aarde

Etymologie

* In de betekenis van ‘akker’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1019

Uitdrukkingen

  • van dien aard
  • n=1
  • n=1
  • n=1

Vertalingen

Engelscharacter
Fransnature
DuitsArt, Beschaffenheit
Spaanscarácter