aar

mannelijk/vrouwelijk (de)/ar/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bloeiwijze van granen
  2. bovenste deel van de halm van gras- of graangewassen

Etymologie

:Oost: : "ahs" (n)

Vertalingen

Engelsear, spike, ear
Fransépi, épi
DuitsÄhre, Ähre
Spaansespiga, espiga
Italiaansspiga
Russischколос