aanvoerpijp

mannelijk/vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een buis die bepaalde stoffen naar een machine of fabriek geleidt
    De directeur van de vestiging Ludwigshafen, Uwe Liebelt, vertelde dat eerst een aanvoerpijp in het havengebied vlam had gevat. Toen de brandweer arriveerde voor de bluswerkzaamheden, ontstond de ontploffing die tot in de verre omtrek was te horen.