afvoerpijp

mannelijk/vrouwelijk (de)/'ɑfurpɛɪp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. buis om vloeistoffen weg te laten vloeien, soms ook gebruikt voor gassen of rook
    Lachend stak toenmalig staatssecretaris Pieter van Geel (VROM, CDA) de schop de grond in. ‘Gidsstad’ Rotterdam liep weer eens voor de muziek uit. Overtollige restwarmte uit het havengebied zou voortaan niet meer via de schoorsteen of de afvoerpijp geloosd worden. Via een ingenieus transportsysteem zou het ‘afvalproduct’ worden hergebruikt om huishoudens te verwarmen in de Rijnmond-regio. Van Geel sprak van „een prachtig voorbeeld van duurzaam ondernemen”. NRC Mark Hoogstad 2 november 2007
    Het is een echte plek, een plek ergens onder, een plek waar we allemaal uitgeput op onze hurken tussen de afvoerpijpen zitten en de vreemde, verborgen oorsprong aftasten van onze oerverlangens.