afvoerbuis

mannelijk/vrouwelijk (de)/'ɑfurbœys/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. pijp waarmee men overvloedige vloeistof kan laten wegvloeien
    De afvoerbuis van de wastafel was verstopt door de lange haren van de vrouwen die boven de wastafel hun haren kamden.
    De ovaalvormige vloer waarop ze lag, was ongeveer tweeëneenhalf bij drie meter, met in het midden een smalle afvoerbuis.
    „En wijzelf ook, natuurlijk," zei hij dan met zijn lach, die deed denken aan water dat door een afvoerbuis stroomt en mij ook altijd aan het lachen maakte.