aanprijzer

mannelijk (de)/'anprɛɪzər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die iets aanbeveelt
    Bij de ingang lagen geroosterde sprinkhanen en gedroogde maden. Waakzaam liepen de meeste bezoekers eromheen. Sommige nieuwsgierigen waagden zich er wel aan. Smaakt als walnoot, zei de aanprijzer. Een snelle proefronde wees anders uit. De muffe, taaie en droge nasmaak was moeilijk weg te spoelen.

Etymologie

* van aanprijzen