aanpakken

/ˈampɑkə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) aanvatten
    Kun je de dozen even aanpakken.
  2. ov (ov) in rechte vervolgen, streng zijn
    De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) gaat brievenbusfirma's harder aanpakken. [http://www.nu.nl/economie/4139158/oeso-pakt-brievenbusfirmas-harder.html www.nu.nl]
  3. ov (ov) (door hard werken) een probleem oplossen
    De leerling pakte zijn studieachterstand stevig aan.
    ‘Ik had het anders moeten aanpakken. ’ De zin klonk scherper dan voorzien.

Vertalingen

Engelsseize, deal with, tackle
Franssaisir, résoudre
Spaanscoger, asir, tomar
Italiaansafferrare
Deensgribe, forfølge, håndtere