aanprijzen

/ˈamprɛizə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) door prijzen aanbevelen, zeggen dat iets of iemand heel goed is
    De nieuwe werkneemster werd door haar directe chef hemelhoog aangeprezen.
    Ze hadden deze tocht beter kunnen aanprijzen als de pelgrimsroute door de tuinen van Dante's Inferno. 'Geblakerde akkers waar u ook kijkt, soms zelfs nog brandende stukken grond aan uw voeten. Gesmolten asfalt, zwarte velden en keien.En heel af en toe een dode boom.'
    Ze hebben hem verplaatst, inclusief het mos Nu staat hij langs de weg, dat is vreemd t0Ch?' Zijn vriendjes keken hem aan vol afgrijzen Duwden hem omver, tussen eikels en blad Op de donkere aarde van de regen zo nat Het zou hem leren zichzelf aan te prijzen Hij krabbelde op, vol modder en spijt Vegen op zijn wangen, haren vol zaadjes Zocht hij meteen naar nieuwe kameraadjes Troost zocht hij zelden, daarvoor was geen tijd Ik sla het schrift dicht en doe de lamp uit.

Vertalingen

Spaansensalzar