aanpraten

/ˈampratə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) doorpraten
    Er werd enige tijd nog wat aangepraat, maar veel zinnigs werd er niet meer gezegd
  2. ov (ov) overhalen tot een bepaalde zienswijze
    Hij had dat van jongs af aan aangepraat gekregen.
    De nieuwe Chantal van der Schaaf liet zich geen schuldgevoel meer aanpraten.
  3. ov (ov) iemand (iets) op de mouw spelden

Vertalingen

Engelspalm off on
Spaansencajar