aanplakken

/ˈamplɑkə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) aan iets vastplakken
    Bij de vorming van het meervoud wordt er aan een Engels zelfstandig naamwoord meestal een -s aangeplakt.
  2. ov (ov) met aanplakbiljetten meedelen
    De thesaurier had een bulletin laten aanplakken over de gezondheidstoestand van de groothertog en heel wat mensen stonden het te lezen.