aanplakken
/ˈamplɑkə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) aan iets vastplakkenBij de vorming van het meervoud wordt er aan een Engels zelfstandig naamwoord meestal een -s aangeplakt.
- (ov) met aanplakbiljetten meedelenDe thesaurier had een bulletin laten aanplakken over de gezondheidstoestand van de groothertog en heel wat mensen stonden het te lezen.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek