aanblaffen

/ˈamblɑfə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) ergens naar blaffen. (bij dieren)
    De gevangenen werden aangeblaft door de politiehonden.
  2. ov (ov) iemand toesnauwen. (bij mensen)
    Ik laat me niet door jou zo aanblaffen.

Vertalingen

Engelsbark at, bark at
Fransaboyer après, engueuler
Duitsanbellen, anbellen