aanblaffen
/ˈamblɑfə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) ergens naar blaffen. (bij dieren)De gevangenen werden aangeblaft door de politiehonden.
- (ov) iemand toesnauwen. (bij mensen)Ik laat me niet door jou zo aanblaffen.
Vertalingen
Engelsbark at, bark at
Fransaboyer après, engueuler
Duitsanbellen, anbellen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek