aanbidster

vrouwelijk (de)/amˈbɪtstər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. religie (religie) vereerster van een goddelijk of heilig wezen
    De vrome aanbidster van de heilige maagd Maria bad iedere dag een weesgegroetje
  2. een vrouwelijk verliefd persoon, die een ander het hof maakt
    De rijke vrijgezel had vele aanbidsters, maar wilde niets van ze weten.

Etymologie

* van aanbidden

Vertalingen

Engelsworshipper, adorer
Fransadoratrice, admiratrice
Spaansadoradora, admiradora, adoradora
Deenstilbeder