aanbidding

vrouwelijk (de)/amˈbɪdɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een verering, een eerbiedvolle bewondering, adoratie
    In alle tijdperken voor het onze heerste de overtuiging dat ons leven voor minstens de helft werd bepaald door goden of geesten, die door middel van gebeden en offers konden worden beïnvloed en die complexe vormen van aanbidding en onderwerping verlangden.
    Waarheid werd. Fabels gelijk feiten. Koeien waren geiten. Hoeren echte nonnen. Ik lachte als ik huilde. Stompte een liefkozing. Veinsde mijn aanbidding. Beproefde en verruilde 'Wel' was niet, of nooit 'Nee' was hou je groot. Vriendschap was je dood. Liefde werd gekooid. De doodsteek kwam van buiten. Niemand had het door. Hij volgde blind haar spoor. Vergruisde alle ruiten. Ik scheur de bladzijde uit het schrift en knijp hem tot een prop.

Etymologie

* van aanbidden .

Vertalingen

Engelsadoration, worship
Fransadoration
DuitsAnbetung
Spaansadoración, veneración, devoción